'Hij telt wel hè, scheids?'

‘Joh, dat kun je niet zeggen.’
Geschrokken kijkt het spelertje van de thuispartij me aan. Kennelijk heeft zijn ploeggenootje iets héél ergs gezegd.
‘Wat zei hij dan?’
Twijfelend kijkt het ploeggenootje me aan. Nou vooruit, kennelijk was het niet erg genoeg om het te verzwijgen.
‘Hij zei, hij zei: ‘wat een gejank’.’
Ik kijk even naar de plaats des onheils en ik besluit tot een vaderlijke, strenge blik:
‘Nee. Dat kun je niet zeggen.’


Ik fluit Jeugd onder 9 jaar. Waar de spelers nog op een kluitje lopen, de keeper geen idee heeft wat hij met de bal aan moet als hij hem heeft en waar ik –eerlijk gezegd- erg moet lachen om de vaders die ‘blijf bij je man!’ en ‘inzakken!’ roepen. Het is zo goed bedoeld, maar écht: de meeste spelertjes hebben geen idee wat inzakken betekent en vragen zich af wie toch die man is bij wie ze moeten blijven.

 

Wat ze wel begrijpen: de taal van de bal. Vijf minuten voor rust scoort de thuispartij de 1-0. Bij een corner schiet een speler van de tegenpartij de bal hard weg. Hij heeft voor die leeftijd best een hard schot. Beetje ongelukkig dat hij tegen de borstkas van zijn ploeggenoot schiet. De bal vliegt het eigen doel in. Doelpunt! Er wordt gejuicht –een beetje aarzelend, dat wel. Want het getroffen spelertje staat nog, maar loopt blauw aan. Alle lucht was is even uit dat kleine lijfje verdwenen. Maar hij huilt niet. Hij huilt potverdikkie niet. Hij bijt op zijn lip en hij… Oh, hij huilt toch.

 

Ik fluit voor de goal en om verzorging binnen te laten. Nou ja, verzorging. Ik loop lang genoeg mee om te weten dit alleen maar overgaat door het tijd te geven. Maar nu de tranen zijn gekomen, blijven ze ook komen. En dat mag best. Want naast de pijn, de schrik en de korte ademnood, komt ook nog eens de vernederende wetenswaardigheid dat je in eigen goal hebt gescoord… en dat is een universeel rotgevoel. ‘Hij telt toch wel scheids?’ Ja, hij telt wel. De thuisploeg kan hier ook niks aan doen.

 

Als je bal zo hard tegen je aangeschoten krijgt, gaat de pijn wel weer over. Het heeft even tijd nodig, je moet even wachten. Het gaat wel weer over. Het gaat weer over. Moeder komt erbij. Het gaat wel over. We hebben even oogcontact en we weten: dit gaat even níet over.

 

Het spelertje verlaat hevig snikkend het veld, dicht tegen moeder aangekropen. De beste plek ter wereld op een plaats waar je op dat moment écht niet wilt zijn. Ik vervolg de wedstrijd. De thuisploeg is sportief genoeg om er een speler uit te halen, de bezoekende ploeg had geen wissels. Vijf tegen vijf, lekker veel ruimte. Het wordt nog 2-0, vlak voor rust.

 

Als ik fluit voor rust, loop ik even naar moeder en speler toe. ‘Straks weer lekker voetballen gozer?’ ‘Nou….’, zegt moeder. Hij kruipt weg. Die scheidsrechter, die échte scheidsrechter in het zwart, die in het begin zo écht leek, komt nu wel heel intimiderend over. ‘Liever even geen scheidsrechter erbij dus’, probeer ik grappend. Hij kruipt weg in een veel te grote, warme jas. Ik bewaar een beetje afstand, ga door de knieën en zeg, zodat alleen híj het kan horen: ‘doe het dan voor mij. Ik zou het fijn vinden als je straks weer lekker gaat voetballen.’

 

De rust laat ik iets te lang duren voor een pupillenwedstrijd. Het is ook koud, ik wil warme koffie, ik moet even bijpraten in de kantine en het aangeschoten spelertje moet moed verzamelen. Als ik weer het veld op kom, staan alle spelers op het veld. Ik kijk om me heen. Alle spelers?

 

Ja. Hij staat er. Korte boks, niet meer praten, we kunnen verder. Het wordt 3-1.

Veld G

webshop-drachtsterboys

Twitter

Onze sponsors